Mijn Film. Dat stond er altijd op de voorkant van mijn dagboekjes. Het ging nooit over mijn leven, het ging altijd over mijn film. Het voelde regelmatig alsof ik op de set van mijn eigen film rondliep. Ik was wel de hoofdrolspeelster, maar had niet de regie. Het voelde niet werkelijk, niet echt, net als een film. Als kind dacht ik dat ieder ander kind ook een film had waar hij of zij in speelde. Pas veel later kwam ik erachter dat dit niet zo was, maar voor mij was dit de normaalste zaak van de wereld.
Ik schoot er soms ineens in. Of uit. Ik schoot uit mijn leven en in mijn film. Soms zag ik mijzelf dan van bovenaf of vanaf de overkant van de straat. Nooit letterlijk. Ik zag mijzelf niet letterlijk lopen, maar tijdens het lopen raakte ik wel de realiteit kwijt. Ik was het, die daar liep, en tegelijkertijd was ik het niet. Alles voelde onwerkelijk, de geluiden van de stad, de wind op mijn gezicht, de gedachtes in mijn hoofd. Alles werd verdoofd en dof. Het was of ik alles wat ik kende voor de eerste keer zag. Alles wat ik voelde voor de eerste keer voelde. Er bestaat geen tijd en er bestaat geen pijn.
Mijn film voelde niet echt en daarmee was alles wat ik voelde en wat ik dacht ook niet echt. Het was er wel, maar het hoorde bij de film. Het hoorde bij een groter geheel en daardoor voelde al die gedachtes minder als de werkelijkheid. Ik hoefde er niets mee als het toch niet echt was. Het voelde veel prettiger als het iets van buitenaf zou zijn en soms was ik er ook van overtuigd dat het zo was. Ik kreeg er totaal geen grip op en als mijn eigen hoofd al zo onwerkelijk voelde, voelde de rest van mijn leven dat ook.
“Het lijkt alsof mijn hoofd in een soort slaapstand is gaan staan, terwijl mijn lichaam door gaat met alles in een moordend tempo mee te willen maken. Zo is het eigenlijk allemaal voor niets. Als mijn lichaam en geest voor een lange tijd apart van elkaar functioneren, gaat alles wat ik meemaak op in niets.”
Ik zit bij mijn therapeut en we zitten op de helft van mijn wekelijkse sessie. Hij vraagt, ik vertel en zoals gewoonlijk is de eerste helft wat moeizaam gegaan. Hoe meer ik wil vertellen, hoe minder eruit komt. De woorden vervallen langzaam in stiltes. Stiltes die steeds langer worden en mijn heldere blik begint te staren. Ik weet niet meer hoe lang ik daar gezeten heb en ik weet ook niet meer wat we hebben besproken. Ineens ben ik thuis. Nu pas komt de paniek, ik kan mij bijna niets meer van het gesprek of de fietstocht naar huis herinneren. Ik weet het gewoon niet meer. Slechts flarden komen naar boven als ik heel hard mijn best doe, maar veel ben ik kwijt. Ik ben het kwijt of het is er nooit geweest. Ben ik zo lui, zo zwak, dat ik niet eens de concentratie op kan brengen om mijn aandacht erbij te houden?
Heel dom voelde ik mij, als ik de simpelste dingen totaal niet meer wist en hele gesprekken of middagen niet meer voor mij kon halen. Terwijl ik er echt was en echt had geluisterd. Ik voelde mij er zo schuldig over. Ik ben daar echt geweest en tegelijkertijd was ik totaal ergens anders. Uit de realiteit en in mijn film, waarin ik blijkbaar geen tekst had gekregen.
De meest angstaanjagende momenten vond ik de momenten waarop ik mijzelf terugvond. Op de vloer tussen alle etensresten. Onder de douche waar ik plots de wonden voelde branden. Alsof ik de pijn van iemand anders voelde. Alsof iemand anders mij pijn had gedaan. De verdovende waas trok op en langzaam kwam ik weer tot mijzelf. Langzaam realiseerde ik mij wat ik gedaan had. Juist op die momenten voelde ik mij het meest vervreemd van mijzelf.
“Ik verzamel prikkels. Ik verzamel en verzamel maar. Alles of ik alles op wil zuigen. Als een spons zuig ik alles op, net zo lang tot ik te zwaar word. Te zwaar van alle ervaringen, waarna alles druppelend van mij af glijd en ik alleen nog maar kan staren.”
Derealisatie en dissociatie kan in verschillende gradaties en vormen voorkomen. Het kan iets heel onschuldigs zijn, een alledaags moment waarbij je, om welke reden dan ook, even weg droomt of even afdwaalt. Het kan ook een doodeng moment zijn, waarbij je bang bent om te verdwijnen of alle controle te verliezen. Je voelt je bedreigd, onveilig. Hoewel dit gevoel nu misschien niet terecht is, is het voor jou niet minder heftig aanwezig. Bij dreiging zijn we automatisch geneigd om snel tot actie over te gaan. De hartslag gaat omhoog, je zintuigen worden scherper, klaar om te vechten of te vluchten. Wanneer de onveilige situatie aanhoudt en vechten of vluchten niet kan, of geen zin heeft, treed er een verlaagd bewustzijn op. Zodat jij hier zonder al te veel schade doorheen kunt komen.
Wees niet bang. Jouw lichaam heeft een schild voor jou ontworpen, omdat je die op een eerder moment zo hard nodig had. Een schild om te overleven. Wanneer dezelfde angst of paniek geprikkeld wordt komt dat schild weer tevoorschijn, als een waakhond die jou beschermd.
Het goede nieuws is, het gaat weer weg. De verdovende waas zal weer op trekken en je zal weer terugkomen. Wat direct kan helpen om eruit te komen is door iets actiefs te doen, iets in het hier en nu wat je zintuigen prikkelt. Je schoenen uitdoen en met je blote voeten op een koude vloer gaan staan of juist even hard stampen. Wat koud water over je polsen te laten stromen en wat verfrissends in je nek te leggen. Iets prettigs en toch prikkelend wat jou weer even terug kan brengen, iets waardoor je zintuigen even iets anders te verwerken krijgen. De kust is veilig.
Wat helpt jou bij dissociatie?
Geef een reactie